Oude Site

Bezeten (door Frits Hoorweg)

Onderstaand verhaal werd mij overhandigd door Dik Kruithof. (Kennis van Frits Hoorweg)

Op de laatste dag van mijn verblijf in Londen lunchte ik met een Engelse collega. Hij informeerde beleefd wat ik zoal had gedaan. Nadat ik hem dat verteld had, viel er een pijnlijke stilte. Een hobby is leuk hoorde hem denken, maar dit is morbide. In Londen hoor je naar een musical te gaan en te winkelen. Je kunt ook een bezoek brengen aan zo'n mooi museum. Dat zijn geaccepteerde vormen van vermaak, maar ik was blijkbaar voor iets anders gekomen en dat gaf mijn collega een nieuwe kijk op mijn karakter.

Iets anders
De ochtend nadat ik mij had geïnstalleerd in een hotel in Bayswater, wandelde ik naar Little Venice, een buurtje dat gebouwd is rond een piepklein haventje aan de Gran Union Canal. Het haventje lijkt bewust te zijn verstopt tussen een wirwar van autowegen, waarvan er enkele door reusachtige pilaren hoog boven de huizen worden uitgetild. De huizen zijn pas nog witgepleisterd om te proberen de naam van de buurt eer aan te doen. Vandaar liep ik over het jaagpad langs het kanaal naar Kensal Green Cemetary. Nu is dat een begraafplaats waar je ook nog wel eens een 'normale' toerist tegenkomt. Diverse beroemdheden liggen er begraven, zoals Isambard Brunel (van de bruggen) en schrijver Wilkie Collins, maar meestal zijn het beroemdheden van de tweede garnituur. De echte sterren liggen in Westminster Abbey. Nog niet zo lang geleden werden de resten van de schrijver Anthony Trollope, meer dan een eeuw na zijn overlijden, tot die heerlijkheid verheven, Zij werden alsnog bijgezet in The Abbey.
📷 Foto verwijderd i.v.m. copyright Ik vermoed dat de aantrekkingskracht van Kensal Green voor de doorsnee toerist vooral zit in het slordige, bijna rotzooierige karakter ervan. Hier vindt men geen keurig afgeperkte dodenakker, maar een schitterende warboel van gedenkstenen en monumenten uit allerlei perioden en geïnspireerd, door bijna alle culturen van de wereld. Alles staat schots en scheef door elkaar. Het strijdt een beetje met ons gevoel voor netheid, maar ach, wat is het schilderachtig.
(rechts: Kensal Greene)
Voor een schaker is er echter een extra reden om de begraafplaats te bezoeken: Alexander McDonnell en Louis de la Bourdonnais zijn er begraven. In 1834 speelden deze twee schakers in Londen een langdurige match tegen elkaar, of eigenlijk een serie van 6 matches kort achter elkaar. Het precieze aantal partijen dat gespeeld werd is niet bekend, maar waarschijnlijk zijn het er 88 geweest.

570 uur schaken
Een groot deel van die partijen is voor het nageslacht bewaard gebleven, doordat een ijverige toeschouwer de zetten heeft genoteerd. De spelers deden dat in die tijd nog niet zelf. Er werd zonder schaakklok gespeeld, die moest nog worden uitgevonden, de spelers namen gewoon de tijd die ze nodig meenden te hebben. De partijen duurden meestal vijf tot zes uur. Als er dan geen uitslag was werd de partij afgebroken en de volgende ochtend voortgezet. Er werd elke dag gespeeld, behalve zondag. De spelers hebben ongeveer 4 maanden bijna dagelijks tegenover elkaar gezeten. Mijn wijsheid is afkomstig uit een boekje dat de journalist Max Pam ruim 20 jaar geleden schreef. Hij schatte dat er wel 570 uur is geschaakt.
Voor De la Bourdonnais, die de sterkste Franse schaker van die tijd was en die met schaken de kost verdiende, was dat nog niet genoeg. Als de partij klaar was, of afgebroken, nuttigde hij al analyserend zijn maaltijd om zich daarna te wijden aan pure ontspanning: voorgiftpartijtjes tegen amateurs die bereid waren een klein bedrag in te zetten. Uit alles blijkt dat hij een echte schaakfanaat was, een type dat je ook nu nog wel eens tegenkomt. Hij was misschien wel de eerste professional. Zijn inkomen verwierf hij door heel veel te spelen (die voorgiftpartijtjes waren niet alleen ontspanning!) en door het secretariaat van de schaakclub van het Café de la Régence in Parijs te voeren. Meestal was het sappelen om te overleven en daarom ging hij met regelmaat naar Engeland, want daar waren nette schaaksociëteiten waar hij een aardige cent kon bijverdienen.
Toch stond het schaken in Frankrijk toen nog op een hoger peil en De la Bourdonnais was van de Franse spelers de sterkste. Op een goed moment is bij een paar Engelse enthousiastelingen het idee ontstaan om een match te organiseren tussen hem en de sterkste Engelse speler. Aanvankelijk had men daarbij ene Lewis in gedachten, maar die voelde zich te oud en toen viel de keus op zijn leerling McDonnell, die uit Ierland kwam en na zijn studie in Londen was blijven wonen. McDonnell was het spel ogenschijnlijk minder toegewijd dan zijn Franse tegenstrever. Na afloop van de partij spoedde hij zich naar huis om uit te rusten van de vermoeienissen. Gelukkig hoefde hij met schaken niet zijn geld te verdienen. Hij had een rustig baantje bij de Westindische Compagnie en kon het leven daardoor wat rustiger opnemen dan De la Bourdonnais. In het begin van de match verloor hij de ene partij na de andere, maar geleidelijk kreeg hij een beetje vat op het spel van zijn tegenstander. Uiteindelijk was De la Bourdonnais wel een overtuigende winnar. Als je de uitslagen van alle bekende partijen bij elkaar optelt, kom je op een einduitslag van 51-37.
Na de match deed McDonnel, volgens zijn vrienden, niets anders meer dan naar het schaakbord turen. Hij leek het fanatisme van zijn tegenstander te hebben overgenomen, maar wat bij De la Bourdonnais 'vrolijke overgave' leek was bij hem een 'onvermogen om zich los te maken.' Binnen een jaar na de matches overleed McDonnell. Volgens dezelfde vrienden als gevolg van fysieke en mentale uitputting. Misschien moet rekening gehouden met de neiging tot dramatisering van schaakliefhebbers. Hij werd op Kensal Green begraven en de la Bourdonnais werd vijf jaar later op dezelfde begraafplaats te ruste gelegd. Hij had zijn geboorteland definitief verlaten, omdat hij er met schaken niet meer aan de kost kon komen. In Londen ging dat aanvankelijk iets beter, tot de tuberculose hem het spelen steeds moeilijker en tenslotte onmogelijk maakte. Schaakvrienden hielden een collecte voor hem, maar daar had hij zelf niets meer aan.

Onleesbaar en onvindbaar
Ik had me goed gedocumenteerd en wist precies waar ik moest zoeken op de begraafplaats. De nummers van de percelen waren bekend, de namen op de belendende stenen had iemand voor me genoteerd en bovendien waren er een paar foto's, gemaakt bij een eerder bezoek, jaren geleden. Toch viel het niet mee. De steen op McDonnells graf is inmiddels zo verweerd dat hij vrijwel onleesbaar is geworden. Alleen als je weet waar je naar op zoek bent, kun je uit een paar vage brokken tekst afleiden, welke steen het is. Nadat ik mezelf, eerbiedig ernaast gehurkt, op de foto had laten zetten, ging ik opgewekt op zoek naar de volgende. De steen op het graf van De la Bourdonnais is een keer vernieuwd en zou daarom relatief gemakkelijk te vinden moeten zijn. Na enig heen en weer lopen rond het perceel met het aangegeven nummer, moest ik tot mijn verbazing concluderen dat de steen verdwenen was. Bij de administratie wisten ze van niks; neen, graven ruimen daar deden ze niet aan, ik moest nog maar eens goed kijken.
Maar ik weet het zeker, behalve de beschrijving heb ik een foto en die toont aan dat zijn grafsteen onder een bepaalde boom moet liggen en daar ligt helemaal niets meer. Het lijkt zelfs of je de afdruk van de steen nog kunt zien, maar dat kan inbeelding zijn. Wat is hier aan de hand? Je kunt je toch haast niet voorstellen dat iemand de steen als souvenir heeft meegenomen. Het meest waarschijnlijk is nog dat de eigenaar van het graf besloten heeft de steen te laten restaureren.
Teleurgesteld en verward drentelde ik verder naar de uitgang en stond ineens voor een schakersgraf dat ik in het geheel niet had verwacht. Howard Staunton, een Engelse speler wiens grote tijd begon toen De la Bourdonnais net begraven was, blijkt ook op deze begraafplaats te liggen en wel onder een monumentale steen, die uit 1997 dateert. Er blijkt een Stauton Society te bestaan en die heeft voor een nette herbegravenis van de 1874 overleden Staunton gezorgd.
📷 Foto verwijderd i.v.m. copyright (rechts: Howard Staunton)

Missie voltooid
Bij het Chess & Bridge Centre kwam ik later op de dag wat meer te weten over de Staunton Society. De Engelse schaker en journalist Raymond Keene is voorzitter. Met die grafsteen heeft hij een kruistocht volbracht die in 1975 werd aangevangen met publicatie van een boek over "de Engelse wereldkampioen." Eigenlijk bestond de titel wereldkampioen nog niet in de tijd van Staunton, maar Keene ergerde zich aan het gebrek aan waardering voor Staunton en hij heeft toen een kleine geschiedvervalsing geïntroduceerd.
Wij, schaakliefhebbers op het continent, zijn grootgebracht met de gedachte dat Staunton de lafaard was die niet tegen Morphy durfde te spelen. (Paul Morphy was een Amerikaan die rond 1858 alle sterke spelers met grote cijfers versloeg en die graag zijn krachten met Staunton had gemeten.) Maar aan de overkant van het Kanaal wordt de geschiedenis anders geduid en ik denk terecht. Staunton was rond 1858 druk bezig met het verzorgen van de integrale tekst van het werk van Shakespeare en schaakte nauwelijks meer. Bovendien had hij zijn hoogtepunt gehad met de overwinning op St. Amant in een match die in 1843 in Parijs werd gespeeld. Iedereen in dit verhaaltje mag op de een of andere manier bezeten lijken van het spelletje, maar Stauton was dat niet, althans op latere leeftijd niet meer.
De Stauton Society heeft er trouwens ook voor gezorgd dat er op de vroegere woning van hun held, aan de Lansdowne Road, een plaquette werd aangebracht. Daar ging ik natuurlijk ook nog even langs.
Zo op het eerste gezicht heeft de Staunton Society zijn missie volbracht. Dat is natuurlijk mooi, maar ook een beetje jammer. De mens houdt graag een doel voor ogen, hoe onbetekenend dat doel in de ogen van anderen ook mag zijn. Misschien kunnen ze nu actie gaan voeren voor bijzetting van "de Engelse wereldkampioen" in Westminster Abbey!

Ik ga volgende keer dat ik in Londen ben op zoek naar het graf van Johannes Zukertort, weer een andere schaakgrootheid, die op Brompton Cemetary moet liggen.

Mijn Engelse collega (ex-politieman) die ik mijn wederwaardigheden had verteld, zei na een lange stilte: "Ja, ik neem aan, dat als je dan toch bezeten bent, dit een relatief onschadelijke variant is. Beter dan nare dingen met jonge meisjes doen, of zo."
In zijn ogen las ik echter de onuitgesproken vraag: zou die bezetenheid ook nog op andere manieren tot uiting komen?

Frits Hoorweg.