Oude Site
Een biljet van vijf kronen
Frits Hoorweg
In 1964 werd het Hoogovens Schaaktoernooi gewonnen door Iivo Nei en Paul Keres. De eerste prijs voor Keres verbaasde niemand, hij hoorde al jaren bij de wereldtop. Nei was een grote onbekende, hij had nog niet eens een meestertitel, die zou hij pas krijgen op grond van zijn resultaat in Beverwijk. Waarschijnlijk mocht hij meedoen op voorspraak van zijn beroemde landgenoot Keres. Beiden waren afkomstig uit Estland, al wist ik dat toen nog niet. Volgens de krant waren het Russen.
Achteraf, vele jaren later, besef ik hoe sneu dat misverstand voor betrokkenen moet zijn geweest. De Esten waren niet uit vrije wil onderdeel van de Sovjet-Unie en voor de schakers die er vandaan kwamen betekende dat volgens zeggen: weinig aanmoedigingen van de centrale schaakautoriteiten en een constant gevecht om
erkenning. Voor Keres was dat niet zo'n probleem, die had al een onaantastbare positie voor Estland werd ingelijfd. Maar Nei schijnt er wel last van te hebben gehad.
Ik was in 1964 zestien jaar oud en meer geïnteresseerd in de variant van het Spaans waarmee Nei zijn tegenstanders verraste: 1 e4, e5 2 Pf3, Pc6 3 Lb5, a6 4 La4, Pf6 5 0-0, Le7 6 Pc3! Daar kon ik mijn clubgenoten mee verrassen, dacht ik. Schaken draaide toen vooral om spelen en liefst winnen. De belangstelling voor landen, volken en geschiedenis kwam pas later, toen dat winnen niet meer zo lukte.
Van 20 tot 2 maart 2000 was ik in Tallinn, de hoofdstad van Estland. Met de zakelijke reden voor mijn aanwezigheid aldaar zal ik u niet lastig vallen. Voor ik erheen ging stuurde ik een e-mail naar een schaakvriend. Zogenaamd om te laten weten dat ik een paar dagen afwezig zou zijn, maar eigenlijk om een beetje op te scheppen. Ik was benieuwd hoe hij zou reageren. Per kerende post âouderwetse uitdrukking, die toepasselijker lijkt dan ooit tevoren- kwam zijn antwoord:
"Tallinn! Keres, bonst het dan in mijn hoofd."
Zoiets had ik wel verwacht, al was het zeer origineel verwoord. Toen de mogelijkheid van een bezoek aan Tallinn ter sprake kwam, had ik ook onmiddellijk aan Estlands beroemde schaker gedacht. Dat zou wel eens een mooie gelegenheid kunnen worden om zijn graf te bezoeken en weer een foto aan mijn verzameling beroemde schakersgraven toe te voegen.
Bij aankomst op het vliegveld trok ik geld uit de muur. Later op de dag kocht ik ergens een biertje en toen ik afrekende merkte ik tot mijn verbazing dat op een van de biljetten die ik al een halve dag met me mee droeg een afbeelding van Keres stond.📷 Foto verwijderd i.v.m. copyright Zijn beeltenis siert (nog zo'n ouderwetse uitdrukking) het veelgebruikte biljet van 5 Estse Kronen. Voor ons staat dat gelijk met 75 cent en dat fluctueert niet, want Esten hebben hun munt gekoppeld aan de Euro. Uit de geschiedenis is nog een andere schaker bekend die op een bankbiljet heeft gestaan. Dat is Adolf Andersen, wiens portret rond 1925 op een biljet van een van de Duitse deelstaten stond.
Die biljetten waren allerminst waardevast.
Hoewel Paul Keres al bijna 25 jaar dood is (let op: 5 juni is zijn sterfdag), wordt zijn naam door schakers
(toegegeven: van een bepaalde leeftijd) nog steeds met waardering uitgesproken. Misschien wel vooral in Nederland. Hij boekte zijn eerste grote internationale succes in 1938 in ons land door samen met Rueben Fine het AVRO toernooi te winnen. Misschien was dat wel het grootste succes van zijn leven. Hij liet er de wereldkampioen (Aljechin) achter zich, alsmede twee ex-kampioenen (Capablanca en Euwe) en een toekomstige (Botwinnik).
Acht spelers speelden in dit toernooi twee keer tegen elkaar. In de laatste ronde van de eerste turnus slaagde Keres erin om met zwart te winnen van Fine, die toen met 5½ uit 6 aan de leiding ging, voor Keres die 4 uit 6 had. Het was een prachtige partij die nog steeds wordt nagespeeld. In de laatste aflevering van New in Chess kwam de stelling na de 39e zet van zwart weer eens aan de orde in de rubriek van Edward Winter.
Iemand had in een boek beweerd dat de schaakgeschiedenis misschien wel anders was gelopen als Fine hier niet 40 Kxe1 had gespeeld. Hij was bij een eerdere gelegenheid terecht gewezen door de redacteur van de rubriek. De gespeelde zet was inderdaad fout, maar ook na het betere 40 Txe1 heeft zwart goede winstkansen. Nu had hij weer iemand een brief geschreven, inhoudende dat die meneer van dat boek misschien toch wel een beetje gelijk had. Ook hem werd vriendelijk maar streng te kennen gegeven dat hij het mis had, In de rubriek van Edward Winter worden heel vaak mensen terecht gewezen. Hij is het prototype van een betweter, maar toch lees ik zijn rubriek altijd met plezier en ik ben blijkbaar niet de enige.
|
Laten we even kijken hoe het had kunnen gaan, als wit 40 Txe1 had gespeeld. 40 Txe1 Lxa3 41 Kd3 Lb4 42 Kc2 Kf7 43 Te5 Ld6! 44 Tf5 Kg6 45 Tb5 Lh2 46 Kc3 Le5 47 Kd3 Kf5 48 Ke3 g5 en zwart wint.
De grap van deze stelling is dat zwart de pion op c3 moet opofferen, om een vrijpion op de koningsvleugel te creëren.
Ook in de partij zelf bleek dat de manier om tot wint te komen.
40 Kxe1 Lxa3 41 Kd1 Ld6 42 Kc2 (42 h3 Lf4 en 43 â¦,Lc1) Lxh2 43 Th1 Le5 (Lf4!) 44 Txh7 Kf7 45 Th1 g5 46 Te1 Kf6 47 Tg1 Kg6 48 Te1 Lf6 49 Tg1 g4! 50 fxg4 f4 51 g5 Ld4 52 Td1 Le3 53 Kxc3 Lc1 54 Td6+ Kxg5 55 Tb6 f3 56 Kd3 Kf4 57 Tb8 Kg3 0-1
Keres gaf nog de volgende variant aan: 58 Tg8+ Kf2 59 Kc2 Ke2 60 Te8+ Kf1 61 Tf8 f2 62 Tf7 Ke2 63 Te7+ Kf3 64 Tf7+ Lf4
Iedere rechtgeaarde liefhebber wist natuurlijk al lang hoe het had kunnen gaan na 40 Txe1, want Keres heeft dat zelf aangegeven in zijn boek Ausgewählte Partien, dat in 1964 uitkwam bij Ten Have in Nederland. In de kast thuis staat een beduimeld exemplaar, waar ik met een onzeker handschrift Sint Nikolaas 1964 in heb geschreven. De kleine preek waarmee mijn vader dit cadeau vergezeld liet gaan, staat nog in mijn geheugen gegrift. Ik had in zijn ogen al te nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat ik dit boek en niets anders wilde hebben. Het is waarschijnlijk zijn laatste actieve bijdrage aan mijn opvoeding geweest, want hij overleed nog voor het einde van dat jaar.
Voor ik naar Estland ging had ik al kunnen uitzoeken waar Keres begraven is. In een eenvoudige reisgids stond te lezen dat hij tezamen met andere 'beroemde zonen en dochters van de natie' begraven ligt op Metsakalmistu, iets ten noord-oosten van Tallinn. Zijn graf vinden kon niet moeilijk zijn, ik hoefde bij wijze van spreken slechts op de geur van versgeplukte bloemen af te gaan. Als ik geweten had dat Metsakalmistu Ests is voor: begraafplaats in het woud, had dat mijn optimisme misschien iets gedempt. Jevgeny, onze tolk, legde me uit dat ik een gewone lijnbus kon nemen om er te komen. Maar toen ik mij op een middag door de bus had laten afzetten in een eindeloos niemandsland met naaldbomen, begon ik te vrezen dat het misschien moeilijker zou worden dan ik had gedacht. Gelukkig stond er tussen de bomen een lichtgroen gepleisterd juis. Er werd open gedaan door een mevrouw die meteen heftig haar hoofd begon te schudden, toen ik mijn beste Engels op haar los liet. "Kéres, Paul Kéres," zei ik een paar keer. Ze schudde weer met haar hoofd, maar omdat ik wanhopig aanhield, gebaarde ze dat ik naar binnen moest komen en op een stoel moest gaan zitten. Ze wees naar een man die uitgebreid zat te telefoneren. Toen hij klaar was, sprong ik enthousiast op en begon weer in het Engels. Ook hij schudde mismoedig het hoofd. "Kéres, zei ik maar weer eens, en nadat ik dat een paar keer herhaald had, klaarde zijn gezicht op. "Kerès," zei hij (de klemtóón moest anders) en liep met grote passen op de deur af, gebarend dat ik mee moest lopen. Daarna was het allemaal snel voor elkaar. Hij bracht me met de auto tot onder aan een klein heuveltje. Bovenop het heuveltje liggen een paar stevige stenen, waarop slechts een naam en twee jaartallen staan. Op een van die stenen staat: Paul Keres 1916-1975. De eenvoud is bedrieglijk; alleen voor heel beroemde mensen volstaat zo'n minimaal grafschrift. Keres ligt er begraven naast een geliefde president en een bekende operazanger.
Hoe is het toch te verklaren dat een eenvoudige schaker zoveel eer wordt bewezen? Dat kan niet alleen zijn omdat hij zo aardig was en omdat hij zo goed kon schaken. Het heeft iets te maken met het droevige lot van de Esten in de vorige eeuw.
Door het naspelen van de partijen uit dat boek en het lezen van de spaarzame verbindende teksten, krijg je daar op een subtiele manier inzicht in. Niet dat in die teksten enige vorm van jammerklacht te vinden is, want dan had het boek in die tijd niet uitgegeven kunnen worden. In 1939 speelde Estland nog als onafhankelijk land mee in de schaakolympiade te Buenos Aires. Eind 1940 speelde Keres in het kampioenschap van de Sovjet-Unie. Weer een jaar later zien we hem optreden in toernooien die een duidelijk Duits stempel dragen. In 1945 is hij weer present in het kampioenschap van de Sovjet-Unie.
Het mag duidelijk zijn dat Keres geen verzetsheld was, maar blijkbaar werd zijn collaboratie, als jet het zo wilt noemen, door de andere Esten als onvermijdelijk gezien en eerder tragisch dan verwerpelijk. Zijn lot is men misschien een beetje gaan zien als het lot van de natie. De Russen namen hem zijn deelname aan Duitse toernooien overigens wel kwalijk en het heeft even geduurd voor hij weer mocht spelen, na de oorlog. Na de wedstrijd om het wereldkampioenschap in 1948 kwam het verhaal in de wereld dat de Sovjet autoriteiten hem, als tegenprestatie voor hun coulantie in 1945, hadden gedwongen om Botwinnik te laten winnen. Een raar verhaal waar nooit bewijzen voor te vinden zijn geweest, behalve de kwaliteit van de gewisselde partijen. Nunn heeft er bij een recente heruitgave van Keres' partijenverzameling op gewezen dat die kwaliteit op zich onvoldoende bewijs is. Ook de beste schakers halen soms stommiteiten uit en het spel van Botwinnik lag Keres nu eenmaal niet.
Nadat onze tolk mijn passie voor schaken had ontdekt, vertelde hij me dat hij met Jaan Ehlvest (nu de sterkste speler van Estland en een paar jaar geleden nog horend bij de wereldtop) op school had gezeten. Estland is een klein land. Het is 1,5 keer zo groot als Nederland en er wonen maar 1,5 miljoen mensen. Landgenoten zijn familieleden of kennissen, lijkt het soms. Hij deed me nog een goed idee aan de hand. Ik moest maar eens een bezoekje brengen aan de Paul Keres schaakclub, gelegen in de oude middeleeuwse stad. En dat deed ik natuurlijk graag. Wie denkt dat het Nationaal Schaakgebouw iets bijzonders is, moet daar maar eens gaan kijken.
Nog nooit eerder was ik in een club waar je geacht werd je jas af te geven bij een dame, die de garderobe beheert. Nu moet daarbij vermeld worden dar beheerde garderobes vrij normaal zijn in Estland, maar het draagt toch bij tot een atmosfeer die hier op schaakclubs ver te zoeken is. Er wordt op twee verdiepingen gespeeld in ruimtes met boogramen en pilaren. De mevrouw van de garderobe maakte mij in het Duits duidelijk, dat de directeur helaas bezig was en mij niet kon ontvangen. Ik vroeg haar hoe deze hooggeplaatste heette. "Herr Nei," was het onvermijdelijke antwoord.
Inmiddels moet de oude meester 67 jaar oud zijn en hij schijnt al jaren aan de kost te komen door het leiden van de Paul Keres schaakclub. Na zijn succes in Beverwijk heeft hij vooral middelmatige resultaten geboekt. Nog één keer schitterde hij. In 1969 werd hij tweede in een toernooi dat in zijn woonplaats Tallinn werd gehouden, achter Stein en natuurlijk samen met Keres.

