Oude Site

Schaakcitaten

(Ooit heb ik onderstaande (selektie) schaakcitaten overgenomen vanaf een website voor in het forum. Helaas weet ik niet meer welke Website... EXCUUS. In ieder geval bedankt!)

Ik schaak, en redelijk goed. In plaats van mijne zetten te beantwoorden, gooit men gedurig het bord om, en dwingt mij de stukken optezoeken. (Multatuli, Liefdesbrieven, blz. 258, Brieven aan Mimi, 27 Julij 1863)

Trouw nimmer met een schaker, want daar kan gevaar in schuilen.
Ze willen tijdens een toernooi wel eens hun dames ruilen.
(Wim Meyles, Stof genoeg, blz. 14)

Toen was het zover. Ik dacht: ik doe het maar weer eens. Maar voor de rest heb ik er niet bij stilgestaan. Jij geeft me het gevoel dat ik over elk ding moet nadenken, maar dan had ik beter schaker kunnen worden. Die kan de hele dag nadenken.
(Wim van Hanegem, HP/De Tijd, 19-12-1997, blz. 140)

De dokter zegt, er moet nu tien pond af. Hij zegt: als de vijand komt moet je de benen kunnen nemen. Hij zegt: kerel, ga eens iets aan sport doen. Ben ik gaan schaken. Ik krijg er wel de zenuwen van. Ik speel net als die Fischer. Open altijd met E4 en sluit met S5.
(Fons Jansen, Wat ik zeggen wilde, blz. 178)

De moeder van Erna was de eigenlijke Leopold van deze jonge Wolfgang Amadeus, en wat Erna geworden is, dankt zij voor een groot deel aan deze bijzondere vrouw. Schakers weten, dat het moeilijkste deel van het schaakspel is: een gewonnen stand ook in winst om te zetten en deze taak viel aan mevrouw Spoorenberg te beurt. Zij deed dit met omzichtige en tegelijk doortastende zetten en ik vind het steeds weer een verheugende gedachte, dat zij nog leeft en de verbluffende eindstand dagelijks onder ogen krijgt.
(Godfried Bomans, The first edition, in Zomers van toen, blz. 103)

Montpellier - Onze landgenoot Jan Timman heeft zich gisteren door een overwinning op Mikhael Tal geplaatst voor de halve finales van het kandidatentoernooi, dat moet leiden tot de uitdager van de wereldkampioen schaken. Timman verraste Tal in de zondagavond gespeelde partij door met zijn paard eensklaps van E4 naar A2 te gaan, een afstand die de meeste paarden in het schaakspel niet kunnen overbruggen door gebrek aan sprongkracht. Timman overweegt zich nu ook met dit paard te laten inschrijven voor de NCRV-springtrofee.
(Hans Dorrestijn, Dorrestijns Pers Agenstschap, blz. 21)

Nadat hij zes maanden lang alle partijen verloren had zonder zelfs een remise te boeken, gebeurde er iets merkwaardigs. Thijm legde voor de zoveelste keer zijn koning om en bleef toen met de handen op de knieën en met neergeslagen ogen roerloos zitten. Toen sprak hij, op zijn langzame en nadrukkelijke manier, of hij zijn woorden in een grafzerk kerfde: 'Je kunt evengoed met een hond schaken.' Ik zweeg. Wat viel daarop te zeggen? Bevestigen is ongepast, tegenspreken leek mij flauw. Bovendien was het, schaaktechnisch gesproken, waar en vatte het de krachtsverhouding beeldend samen. Ik zei dus niets. Zo ging er een minuut voorbij.
Toen zei Thijm, mijn dilemma radend, met een zachte glimlach en zonder de ogen op te heffen: 'Men wordt geacht dit te ontkennen.'
(Godfried Bomans over Lodewijk van Deijssel, in: Jeroen Brouwers, Zachtjes knetteren de letteren, blz. 44)

Negentien over twaalf: in het laatste nieuwsbulletin op Nederland II vertelt Fred Emmer, dat Jan Timman (in het Hoogoventoernooi, tweede ronde) zijn afgebroken partij gewonnen heeft van Miles. Dat is weer een perfecte prestatie en toch wordt Jan nooit wereldkampioen. Ik ken hem niet goed, maar goed genoeg. Hij is veel te aardig, te beschaafd, te minzaam, te creatief zelfs. Om vandaag de dag wereldkampioen schaken te worden moet je een op een computer aangesloten androïde zijn.
(C. Buddingh, Dagboeknotities 1977-1985, blz. 138, 21-1-1978)

Op het Leidseplein spelen drie magere meisjes viool. Op de Dam wordt een of ander grappig schaaktoernooi gehouden. Simultaan schaken door een Hollandse grootmeester, een man met dikke lippen en de haardracht van een vrouw van veertig.
(Joost Zwagerman, Gimmick!, blz. 185)

De barman liep weg en deed een eindje verderop een paar nieuwe zetten in de simultaanpartij tegen de dorst.
(Willem Frederik Hermans, Ik heb altijd gelijk, blz. 69)

Het is bij de wintersport als bij zoveel andere zaken: hoe duurder de uitrusting, hoe slechter de prestaties. Mensen, die geen paard van een loper kunnen onderscheiden, zitten altijd te oefenen aan een fraai ingelegd tafeltje met van die abstracte stukken waarbij geen paard van een loper te onderscheiden is.
(Kees Fens, Waarom ik niet tennis, blz. 81, Breuk)

Tijdens jouw tegenzet
heb ik thee gezet.
(Kadé Bruin, Echtelijk schaakpartijtje. Uitsmijters van scharreleieren, blz. 62)