Oude Site
Schoonheidsprijzen
Zoals sommigen wellicht weten, ben ik een tegenstander van het fenomeen schoonheidsprijs. Voor de opponent van de winnaar hiervan is het een vernedering. Er wordt de indruk gewekt dat deze zich naar de slachtbank heeft laten leiden om daarna op fraaie wijze de genadeklap te ontvangen. Veel topschakers hebben dan ook het gevoel dat de schoonheidsprijs niet AAN iemand gegeven wordt, maar TEGEN iemand. Jeroen Piket vertelde mij na afloop van het NK 1998 dat de jury mij de schoonheidsprijs voor mijn overwinning op hem niet wilde geven, omdat hij hem vorig jaar al "tegen" had gehad.
Zo belanden we bij een ander kritiek punt als het gaat om schoonheidsprijzen:
de jury. In 99% van de gevallen is de jury handelingsonbekwaam. Zelden hebben zij het niveau om iets zinnigs te zeggen over de partijen. In het toernooi van Paignton werd hierop een uitzondering gemaakt; de spelers kozen de beste partij. Nadeel was nu dat die corrupte Engelsen iemand uit hun midden naar voren schoven om het niet geringe bedrag van £ 250 op te strijken. Toch was de intentie van dit systeem goed.
Doorgaans bestaat de jury namelijk uit een plaatselijke crack, een uitgerangeerde schaakjournalist of een werkloze arbiter. Zij laten zich leiden door sensationele uitslagen en niets ter zake doende randverschijnselen. De jeugdspeler die door een toevalstreffer de gevestigde hoofdklasser verslaat is zeker van de toewijzing. De kroegtijger die met koffiehuisschaak van een nuchtere professional wint eveneens. Bij het Hoogoventoernooi kent het publiek de schoonheidsprijs toe. Objectiviteit en kennis van zaken is hierbij ver te zoeken. Als Timman wint is de zaak al beklonken, terwijl Kasparov altijd minder krijgt dan hem toekomt.
Nog een negatief verschijnsel bij schoonheidsprijzen; de onwetende deelnemer zou kunnen denken dat hij ergens kans op maakt. Een schoonheidsprijs maakt deel uit van het prijzenpakket en je zou in de veronderstelling kunnen zijn dat je bij goed spel er een toegewezen krijgt. Niet dus, en zo bont als laatst in York heb ik het nog nooit meegemaakt. Per dag was er een prijs van £ 100 beschikbaar voor de beste partij. Zoiets kan doorslaggevend zijn in een beslissing zo'n toernooi te spelen. Na een aantal ronden kwam ik er achter dat deze prijs echter altijd naar een Engelsman of een aan Engeland gelieerd persoon ging. In ronde drie bijvoorbeeld, won ik met wit in een tamelijk spectaculaire partij van de als eerste geplaatste Summerscale. Het begon zo:
1.e4 e6 2.d4 d5 3.Pc3 Pf6 4.e5 Pfd7 5.f4 c5 6.Pf3 Pc6 7.Le3 a6 8.Dd2 b5 9.dxc5 Lxc5 10.Lxc5 Pxc5 11.Df2 Db6 12.b4!? Pxb4 13.Tb1 d4!? 14.Pxd4 Pe4?! 15.Pxe4 Dxd4 16.Pd6 Ke7
|
17 c4! Ld7 18.Tb2! Pc6 19.cxb5 axb5 20.Lxb5 Tfb8 21.0-0.
Geen slecht begin voor een schoonheidsprijs! Dan ook nog een rokade op de 21e zet en ik kan u verzekeren dat de technische afwikkeling van deze goede stelling voor wit eveneens erg fraai was. In het eindspel speelde mijn tegenstander tenslotte nog op een "dolle toren".
De volgende dag was mijn verbazing compleet toen het een andere partij geworden was:
1.e4 c5 2.Pf3 d6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 Pf6 5.Pc3 a6 6.Le3 e5 7.Pf3 Le7 8.Lc4 0-0 9.0-0 Le6 10.Lb3 Te8 11.De2 Pbd7 12.Tfd1 Tc8 13.Lg5 Tc5 14.Lxf6 Pxf6 15.Pa4 Ta5?
|
Na een weinig spectaculaire opening is zwart op het lumineuze idee gekomen zijn toren te deplaceren. Wit speelde een keer b3/c4 en de overwinning rolde soepel binnen.
In ronde zes kon men ook vraagtekens zetten bij de toewijzing. De latere winnaar van het toernooi, de Duitse Ier Heidenfeld, zette de partij met zwart gewaagd op tegen grootmeester Arkell.
1.d4 e6 2.c4 Pf6 3.Pf3 b6 4.g3 La6 5.b3 Lb7 6.Lg2 Lb4 7.Ld2 a5 8.0-0 0-0 9.Lc3 d5 10.Lb2 Le7 11.Pc3 Pa6 12.Pe5 Dc8 13.cxd5 exd5 14.Tc1 Td8 15.a3 De6 16.f4 Lf8 17.e3 Tab8 18.Tf2 c5
|
waarna de vlam in de pan sloeg. Onbegrijpelijk genoeg ging de dagprijs naar een partij die als volgt begon:
1.c4 Pf6 2.g3 c5 3.Pf3 g6 4.b3 Lg7 5.Lb2 0-0 6.Lg2 Pc6 7.0-0 d6 8.d4 cxd4 9.Pxd4 Ld7 10.Nc3 Pxd4 11.Dxd4 Lc6 12.Pd5 Pe8 13.Dd2 Lxb2 Dxb2 Pc7 15.Tfd1 Pxd5 16.Lxd5
|
waarna er een laveergevecht begon dat twee notatiebiljetten vergde. Zowel Heidenfeld als ik kwamen niet voor op de lijst met dagprijswinnaars. Toch vreemd als je dan als eerste en tweede eindigt. Van die mensen verwacht je toch dat ze niet al te slecht gespeeld hebben.
Ronduit schandalig was hetgeen dat een dag eerder plaatsvond. Arkell kreeg de prijs voor een matige schwindelpartij. En dat terwijl het volgende alternatief voorhanden was:
1.e4 c5 2.Pf3 d6 3.d4 cxd4 4.Pxd4 Pf6 5.Pc3 a6 6.h3 e6 7.g4 h6 8.Lg2 g5 9.Le3 Pbd7 10.De2 Pe5 11.0-0-0 Ld7 12.f4 gxf4 13. Lxf4 Tc8 14.Pf3 Txc3 (daar gaan we!)
|
15.Pxe5! dxe5 16.Lxe5 Tc5 17.Txd7! Dxd7 18.Lxf6 Tg8 19.Td1 Dc7 20.Td8+
met een technisch gewonnen stelling voor wit. Dat wit de schoonheidsprijs niet kreeg moet er mee te maken hebben gehad dat hij uit het gehate Frankrijk afkomstig was.
Zoals u ziet heeft men in Engeland een vreemde methode om de eigen sporters te ondersteunen. Daarmee beland ik bij het laatste punt in mijn verhandeling over schoonheisprijzen: ergernis. Ergernis over het feit dat de toewijzingen volledig onterecht zijn. Dit kan een negatief effect hebben op de concentratie en spelvreugde. Donner zei het al: de schaker heeft twee vijanden, verkoudheid en ergernis.

