Oude Site

PENÀLTIES EN KENÈTBIEF

Door Kees van Straten

Het was gezellig druk op de eerste avond van de lentecompetitie. Het vierde speelde  tegen Mid Fryslan, de play-offers schoolden samen en onze jeugd was nog druk bezig met de interne competitie. Maar toen het aankwam op de indeling voor de lentecompetitie bleken er maar zes (6) spelers te zijn. De oorzaak van deze geringe belangstelling was te wijten aan het feit dat een plaatselijk balspelclubje uit Brabant moest spelen tegen een plaatselijk balspelclubje uit het land van Sinterklaas. Van een ontzettend verre kennis hoorde ik dat beide clubjes even sterk waren en dat er strafschoppen genomen moesten genomen. Strafschoppen, oftewel penalties. Uit het straatvoetbal van de jaren vijftig kan ik me wel herinneren dat er bij de kenners altijd van een penàltie gesproken werd (met de klemtoon op de tweede lettergreep). Het Engels had toen, by the way, het Nederlands nog niet helemaal verdrongen. Ongecorrigeerd kon je om ‘een onsje kenètbief’ (corned beef) of een pakje ‘bleu’ band vragen. De penalty (ingevoerd in 1891 en dat terwijl mijn goede vriend Ir. W.J. Klasma stellig beweert dat het voetbal uitgevonden is in 1940-’45) vraagt om een nadere beschouwing. Het nemen van een strafschop (dat heb ik na het doorploegen van een aantal handboeken over het balspel wel begrepen) is een complexe aangelegenheid. ‘De bal wordt op de stip gelegd en wel 11 meter van het doel’.  Bij het schaken kennen we geen strafschoppen (tenzij venijnig onder tafel), maar de precieze formulering over de afbakening komt ons bekend voor: de stukken worden op de borden geplaatst volgens een vastgesteld patroon. ‘Vervolgens mag alleen de strafschopnemer in de buurt staan. Alle andere spelers moeten zich buiten het strafschopgebied bevinden, op een afstand van minimaal 9,15 meter’. Dat zou bij ons op de dinsdagavond ook wel eens goed zijn. Alle commentatoren en betweters graag minimaal 9,15 meter van je bord af. ‘Deze afstand wordt aangegeven met een cirkelboog voor het strafschopgebied’. Ook dat lijkt me handig; er hoeft niets afgepast en gemeten te worden, je trekt een cirkel (of spuit een cirkel, zoals bij het duw- en trekwerk dat voetbal wordt genoemd, in zwang is). ‘De doelman moet op de doellijn staan en tussen de doelpalen, met zijn gezicht naar de strafschopnemer, en mag de lijn pas verlaten als de bal aangeraakt is’. Voor de oudere schaker is dat ook een prettige regel: je kijkt naar je opponent en mag pas opstaan om te gaan roken als een stuk is aangeraakt. ‘Als de doelman de bal terugkaatst mogen alle spelers proberen in het bezit van de bal te komen en te scoren’. Terugkaatsen, wat een vurrukkulukke Friese invloed. ‘Als de bal via de paal of lat, of (in een theoretisch geval) via de hoekvlag, scheids- of grensrechter, terug bij de speler komt, mag deze speler de bal niet aanraken, immers, een speler mag de bal bij een vrije trap niet twee maal achtereen spelen zonder dat er een andere speler contact heeft gehad met de bal. Als de doelman de bal vangt, of de bal wordt naast geschoten, mag hij de bal uitnemen. De nemer van de strafschop mag zijn aanloop niet onderbreken. Na het nemen van de strafschop wordt direct het spel hervat. Dat wil zeggen dat alle spelers de bal direct mogen spelen, mits deze in het veld blijft. De wedstrijd moet worden verlengd voor een strafschop die wordt genomen aan het einde van een helft of aan het einde van een verlenging’. Dit kon ik allemaal niet meer volgen. Als in ieder geval een strafschop goed genomen wordt, ligt de doelman op de grond.

📷 Foto verwijderd i.v.m. copyright


Zelden een gevloerde schaker zo fraai zien liggen.
Omdat de duw- en trekwerkende balspelers stikjaloers zijn op de rijke woordenschat van de schakers (en natuurlijk ook op de vredelievende en amicale wijze waarop men met elkaar omgaat) is het gebruikelijk geworden om nieuwe namen op ouwe dingen te plakken. Zo heb je bij voorbeeld de Panenka-strafschop, een ‘stiftje, vaak gericht naar het midden, waarbij de bal tergend traag in het doel verdwijnt’. En heeft u terug van de Ezequinha: ‘de speler pretendeert met het ene been te schieten, maar houdt deze uiteindelijk achterwege en schiet met zijn andere been’. Dit is bij het (snel)schaken soms ook gebruikelijk. Je houdt je rechterhand als een grijparm op een kermisattractie boven je paard, maar doet dan snel een loperzet met de linker.

📷 Foto verwijderd i.v.m. copyright

Er waren drie partijen te bewonderen. Joop  Root speelde tegen Jan Miedema. In een spannend eindspel, waarin Joop twee pionnen meer had, werd het, door de gunstige positionering van de pionnen van Jan, remise. Karel Jellema (wedstrijdleider/speler van de woensdagmiddag en altijd present bij het simultaanschaken) won van Jeppe, die aardig begon, maar in het middenspel een stuk weggaf en daarmee de partij. Zelf mocht ik de strijd aanbinden tegen Rinze. “Als je maar niet van die rare openingen speelt”. Daarom gooide ik er maar een Sokolsky tegenaan.

📷 Foto verwijderd i.v.m. copyright

Alles liep op rolletjes totdat Rinze me mijn dame ontfutselde. Een paar zetten daarna bood hij remise aan, want  hij kreeg “ het Spaans benauwd van deze stelling”. Dat is natuurlijk niet goed, dus om gezondheidsredenen heb ik die remise dan maar aangenomen.
Volgende week ga ik verder met een verhandeling over het makelaarsjargon, rood haar en bigamie, schaken (met voortdurende betrekking op de lentecompetitie) en werp ik een blik op het proces tegen Wilders.