Door Wiebe Fraanje

 

Een venijnige oostenwind schuurde de toendra in het noorden der provincie. Het bleke vooravondzonnetje maakte het nog net draaglijk. Dokkum uit…

Er is daar vrijwel niets dat de monotone groene vlakte doorbreekt, moet u weten. Beschutting tegen de elementen is er even zeldzaam als schamel. Het land bracht gehard, verweerd schaakvolk voort, dat confereert in een stadsherberg waarvan de beste tijden samenvallen met het tijdperk van de diligence.

Dat het vijfde ensemble uwer Koninklijke vereniging met een puntendeling huiswaarts keerde na de confrontatie met Donger III, en daarmee als derde eindigde in de klasse 3A der FSB-competitie, mag een wonder heten en was te danken aan onze gastspeler Frederik, die welwillend inviel.

Dat deed hij aan het derde bord, hetgeen uw verslaggever annex teamcaptain in zijn grenzeloze wijsheid had bedisseld. De toren waarvan deze blies was huizenhoog toen hij de tactische move verklaarde met de onsterfelijke woorden: “Ik speel liever met zwart, dus ga ik wel achter het vierde bord zitten.”

Met een aan overmoed en onderschatting grenzend vertrouwen had hij de barre tocht naar Dokkum aangevangen. De laatste weken op dreef immers, met een score van 4 uit 6 sinds de laatste ronde van de laddercompetitie. Op het moment van schrijven zit uw geplaagde bordkapitein met betraand gelaat zijn kansloze zwartpartij te herbeleven.

Wim trof aan bord 1 een spraakzame tegenstander. De 27 stambomen van de familie Jongsma werden uitgebreid doorgenomen, want de eerstebordspeler der Dokkumers kon maar niet geloven dat zijn achterneef, die ergens wiskundeleraar was geweest, geen directe band had met achternaamgenoot Wolter, die toch echt al die stambomen thuis ter inzage heeft liggen.

Terwijl aan de lagere borden de openingen gemankeerd werden door het concentratieverlies dat het geanimeerde gesprek met zich meebracht, hield Wim zich Oost-Indisch doof en schoof stoïcijns een Schotse opzet op het bord.

Wolter zag zich aan bord 2 geconfronteerd met een Bird-opening en behandelde die heel aardig als een Hollands in de voorhand. Hij verloor op zet 20 evenwel zijn pion op h7 met schaak en een kwaliteit, wat er allemaal link uitzag, maar uw notulist heeft nog altijd geen onmiddellijke winstweg voor wit weten te vinden. Voortaan eerst aan de aanvoerder vragen of opgeven geoorloofd is dus.

Bij die 1-0 achterstand was Wims partij nog niet eens goed en wel op gang gekomen of hij kon op de dertiende zet een schitterende dubbele aanval plaatsen met hetzij mat, hetzij damewinst. Toen hij op zet achttien ook nog onherroepelijk een volle toren zou winnen, hield zijn tegenstander het voor gezien, om onverwijld zijn praatgraagte te hervatten.

Bij de 1-1 stand had schrijver dezes aan bord 4 zich vergrepen aan een pion waar hij van af had moeten blijven, terwijl zijn tegenstander een veel te optimistisch opengeschoven koningsvleugel had en niet meer mocht rokeren. Toen uw zwartspeler ook nog een licht stuk weggaf (waar hij nog wel twee pionnen voor terugwon zodat numeriek evenwicht hersteld was) was er geen houden meer aan. Zijn razendsnel spelende tegenstander mobiliseerde zijn complete arsenaal in een koningsaanval zonder dat daar een stokje, als was het maar van een strobreedte, voor kon worden gestoken. Toen hij voor de keus kwam tussen mat in drie of dameverlies, koos de teamcaptain ervoor zijn sympathieke tegenstander de hand schudden en het gevecht tegen zijn tranen aan te vangen.

Frederik speelde intussen een comfortabele partij. Zijn tegenstander gaf een voor een drie pionnen weg en stond grootschalige afruil van stukken toe, zodat er na 27 zetten twee koningen, zes witte pionnen en drie zwarte resteerden op het bord. Dit was niet moeilijk meer en het gelijkspel was in de knip.

De klok had nauwelijks negen geslagen, wat ons de kans bood huiswaarts te keren voordat de echt gure kou zou invallen in het onherbergzame noorden.