door dr. ir. W. J. Klasma

de lentecompetitie, aflevering 1

In de bundeling van de tijdschriften ‘Licht’ uit de jaren 1926-1927vond ik werktekeningen om zelf een schaakbord in elkaar te zetten. Dat leek me een ideale klus voor het begin van de lente. Nieuwe ideeën, nieuwe borden, nieuwe stukken. Geen marmeren borden of Balinees gesneden stukken, maar aan de slag, van de leg, op de been, uit de maat, vooruit met de geit, met een zelf in elkaar geknutseld schaakspel.

en tenslotte de schaakstukken.

I
Er was een werkbeschrijving bijgevoegd, maar dat leek me Lichtelijk overbodig en onder mijn niveau. De tekeningen spreken voor zichzelf. In de jaren zeventig van de vorige eeuw heb ik met succes meerdere zelfbouwkasten in elkaar gezet, dus dan was dit natuurlijk een peulenschil ( die tussen-n moet er tegenwoordig bij, maar het slaantwenkelijknengensop, want het klusje was werkelijk een peuleschil, de schil van zegge en schrijve één peul.
De gearceerde vlakken heb ik van lijm voorzien, de gestippelde lijnen doorgeknipt, op de lege vierkanten onder de plaatjes de naam van de afbeelding geschreven en daarna de plaatjes op de gelijmde vakken geplakt. Ik had na het plakken nog wel 16 stukken over, maar dat waren dan kennelijk de reservestukken. Er kan altijd iets kwijt raken, tenslotte. Het resultaat van dit stukje huisvlijt was het overtuigende bewijs dat de werktekeningen niet deugden.
Gauw over naar de lentecompetitie.

Hier wordt niet gelijmd engeknipt. Spanning en sensatie staan op het programma, net als galante dame-offers, verwrongen gezichten, bitterballen en bier, dubieuzetussenschaakjes, tandenknarsend geschuifel, geweigerdepotremises, drankmisbruik en wanhopige oversprongbewegingen naar de SCL.
Tenminste… dat hoopte ik. Het werd een saaie remise-avond. Dat ‘saai’ kan ik trouwens wel weglaten. Een remise is altijd saai. Als ik toch ergens saggerijnig van word, dan is het van een remise. In een remise werden vroeger autobussen gestald, of trams. Een remise is een parkeerplek. En een parkeerplek mag nooit het eindresultaat zijn van een schaakwedstrijd. Nooit.
Siem tegen Frederik: remise. Hier had Frederik kunnen winnen, maar hij gaf het weg in het eindspel. Hij gaf het weg, jaja.
Derk tegen Wim: remise. Wim zei me dat Derk meer kans had gehad op de overwinning. Meer kans, jaja.
Siegbert tegen Gerard: remise. Gerard bood remise aan, ondanks een dubbelpion, waarop Siegbert zei dat hij dat niet kon weigeren. Niet kunnen weigeren? Jaja.
Erik tegen Harmen: remise. Maar het was wel een remise waarvoor Harmen alle zeilen moest bijzetten. Bij bijzetten denk ik aan heel andere dingen. Jaja.

De enige niet-remise was de partij tussen Kees en Wiebe. Wiebe had in zijn vorige verslag Kees gekwalificeerd als de ‘krasse voorzitter’, alsof de goede man al bijna 96 jaar is maar nog steeds de krant zonder bril kan lezen, maar hij kwam van een krasse kermis thuis. De pionnenstructuur van ons elastisch jeugdtalent was gatenkaas, rokeren kon niet meer en toen een kwaliteit ingeleverd moest worden, gaf hij ogenblikkelijk op. Veel te vroeg, volgens deskundige omstanders, maar zijn overgave leek me volkomen terecht. Gelukkig zag ik beide spelers naderhand genoeglijk aan de bar zitten.
Niet alleen werktekeningen voor een zelf te maken schaakspel, maar ook een artikel over ‘Het schaakspel en zijn geheimen’ vond ik in Licht, het populairwetenschappelijke tijdschrift van honderd jaar geleden. Dat artikel begint zo: ‘Een van de zuiverste en fijnste genoegens die zich in het leven voordoen is dat, hetwelk het schaakspel zijn beoefenaren schenkt. Ieder die zelf schaak speelt zal begrijpend en met bijval bij deze woorden glimlachen’.
Ik vraag me af wie van de remiseschuivers van vanavond de woorden ‘begrijpend’ en ‘met bijval glimlachend’zullen onderschrijven.